Overslaan en naar de inhoud gaan

Over mannen van staal

| Inge Nieuwenhuis |

En post-race blues..

Het is de zoveelste dag dat ik in in het donker opsta, het is nog voor zes uur in de ochtend. Ik trek snel een spijkerbroek aan, t-shirt en trui. Het maakt niet uit. Op mijn sokken zet ik het koffie-apparaat aan en geef de kat te eten. Die snapt er niets van dat ik al dagen achter elkaar zo vroeg uit de veren ben. En zo laat weer thuis. Als zijn eerste miauwende boosheid weg is wanneer ik ’s avonds laat thuiskom na een lange dag, besnuffelt hij me en kan mijn luchtje niet thuisbrengen. Snap ik wel. De geur van een bibliotheek of een vleugje parfum was toepasselijker geweest dan dit mengsel van stof, diesel, staal en chemicaliën (misschien gemengd met een vleugje zweet want over deo maak ik me in mijn huidige verschijningsvorm zeker niet druk) dat ik sinds kort mee naar huis neem. 

Mijn hippe jumpsuit heb ik ingewisseld voor een smurfblauw werkpak: groot, wijd, stug en alles verhullend. Een pak vol grote diepe zakken op handige plekken, drukknopen en ritsen. Ik ben namelijk op de werf. Waar mannen met stof op hun gezicht in overalls met grote handen en vieze nagels met grote enge apparaten aan boten van staal werken. Met hun kundige blik en ditto handigheid zagen, lassen, schuren en verven ze, in dit geval, aan de boot van mijn broer. Er is veel lawaai in de koude, hol klinkende hal, waar de oude stereo-set in de hoek schel klinkende hits de ruimte in slingert. 

Op deze werf en in deze hal wordt groot onderhoud gedaan aan zijn boot en ik heb me (volledig passend bij een gedragspatroon dat me niet altijd even goed bevalt) aangemeld als assistent klus-vrouw. De hele dag ben ik bezig met allerlei dingen waar ik, zelf benoemde semi-intellectueel, geen kaas van heb gegeten. Met mijn talenknobbel ben ik goed met woorden maar iets minder handig (hoewel ik dat heel graag zou willen!). Maar ik heb tijd en zin mijn broer te helpen met zijn project. Van het tot glimmen poetsen van een piepklein boutje tot met een vonken spattende slijptol in de weer, ik draai er (ogenschijnlijk) mijn hand niet voor om. Tussen de middag sjees ik in mijn werkpak (sjans verzekerd) naar de supermarkt voor krentenbollen, een pak karnemelk en kleffe plakken kaas. In de avond vinden we ons bijna dagelijks een weg naar de lokale snackbar. Ik eet als een bootwerker (!) en slaap, werk, denk, adem boot. 

Na een dag of wat doe ik in ieder geval qua looks niet meer onder voor de mannen van staal. Blauwe plekken op mijn schenen van balanceren op enge ladders. Vieze nagels. Haar dat alle kanten op staat. Spierpijn van het vele sjouwen en me in onhandige posities wurmen om iets onderin de boot gedaan te krijgen. Droge huid van de aceton die dwars door de werkhandschoenen heen lijkt te zijn gekomen. Een gek kuchje door de combinatie van stof, kou en chemicaliën wellicht? Verstopte poriën in mijn gezicht (ieewwwww).

De dagen vliegen voorbij. Ik doe klussen die ik nog nooit eerder heb gedaan. Ik kom in winkels waar ik mijn ogen uitkijk. In plaats van de zoveelste nieuwe trui koop ik een kitspuit en een popnageltang (nog zo’n eng apparaat!). ’s Avonds stort ik na een warme douche in mijn bed en vallen mijn ogen dicht voordat ik het kussen heb geraakt. Een diepe droomloze slaap en dan de volgende ochtend met krakende en piepende ledematen voor dag en dauw weer de deur uit.  Ik geniet met volle teugen!

Soms worden we uitgenodigd om met de medewerkers van het bedrijf te lunchen. De mannen van staal werken zwijgend grote stapels boterhammen naar binnen. Ik knabbel aan mijn krentenbol. De stilte is prettig. De kantine kijkt uit over het kanaal en in alle rust is ieder in zijn/ haar eigen wereld. Af en toe zegt iemand wat. Stilte kan soms zo ongemakkelijk zijn, zeker in onbekend gezelschap. Hier niet. Hier is tie ontspannen, tevreden en van een ieder, in plaats van dat ie los in de ruimte hangt.

Na ongeveer een week denk ik dat ik hét nu écht weet: ik word bootwerker! Met mannen en vrouwen van staal ga ik ook boten slopen en weer repareren. Ik word  ongetwijfeld veelgevraagd want het is iets dat ik goed kan en mijn business is booming door heel Europa!  Ik sta in tijdschriften en wordt geïnterviewd en mijn leven wordt geweldig! Dat is wat ik ga doen, dat ik hier nog niet eerder opgekomen ben! Als ik vervolgens enthousiast met de slijptol op een haar na mijn scheenbeen mis, ben ik snel bekomen van deze zelf gecreëerde droomwerkelijkheid (de zoveelste). Schoenmaker houd je bij je leest…Aan fantasie ontbreekt het me in ieder geval niet. De schrijver in me laat zich altijd weer zien.

En dan op een dag is het klaar. Het werk is af. De boot in het water. Rekening betaald. Handen geschud. Als extra dank heb ik een taart meegenomen en (voor de zekerheid als het niet genoeg is) een amandelstaaf. In de pauze trakteren mijn broer en ik. Deftige liflafjes zijn aan deze mannen en vrouwen niet besteed. In een mum van tijd is alles op. Had ik kunnen weten. Mijn broer die op weg naar nieuwe bestemmingen. De mannen van staal door naar de volgende klus. Ze bewaren een goede herinnering aan die broer en zus die samen zo hard hebben gewerkt. 

En ik? 

Moeiteloos verwissel ik mijn werk overall weer voor de hippe jumpsuit, stap op mijn fiets en ga vrolijk verder met mijn leven. 

Was het maar zo.

Drie dagen later rijd ik weer naar de werf. Ik heb er nog iets te doen, of zo heb ik zelf verzonnen. Als ik in de achteruitkijkspiegel kijk zie ik mijn betraande gezwollen ogen. Klusvrouw zag er beter uit dan hippe jumpsuit vrouw. Ik heb me de afgelopen dagen ellendig gevoeld en geloof (alweer) dat er van alles mis met mij is: had ik mijn leven maar beter voor elkaar moeten hebben, wat ben ik toch een slapjanus, waarom ben ik zo verdrietig, wat is er mis met mij, waarom gaat het nou niet beter, de vragen en verwijten buitelen over elkaar heen. Ik moet een oplossing en wel nu. Naar de werf rijden is hetgeen me het meest logisch lijkt en dat doe ik dan ook prompt. 

‘Je bent niet de eerste die enorm moet afkicken’, lacht hij me toe, gezicht onder het stof, werkpak half open geritst. Ik heb hem net verteld dat ik niet weet wat ik met mezelf aan moet, sinds ik niet meer op de werf ben. Ik parkeer en stap uit. Een paar borstharen piepen bij zijn hals onder zijn t-shirt vandaan. Oeh, waar let ik nou weer op! en ik kijk snel een andere kant op. ‘Er zijn hier wel meer leuke stoere vrouwen aan het werk geweest, lacht hij. ‘Leuke stoere vrouw, ik?’ en ik voel me gloeien, misschien was dat bootwerker worden toch niet zo’n slecht idee. ‘Weet dat je altijd welkom bent he, voor een kop koffie of een praatje. Ik ga weer door. Hoi..’ Op zijn grote veiligheidsschoenen beent hij weg. 

Misschien snap ik door zijn woorden beter waarom ik de afgelopen dagen zo verdrietig was, in een neerslachtige stemming terechtkwam. Om iets dat voorbij is. Iets dat afgerond is, een fase afgesloten. Iedereen die door leek te gaan naar iets nieuws of verder met wat er al was. En ik die thuiskwam zonder een volgend iets. Ik had niets te doen en deed dus ook niets. Kieperde onverwachts weer in een mij bekende leegte. Ik had er geen rekening mee gehouden dat dit zou kunnen gebeuren. Maar zou het kunnen dat dit veel minder met mijzelf te maken heeft, en des te meer met de omstandigheden? En is mijn verdriet en neerslachtigheid helemaal niet raar, maar iets dat bij zo’n ervaring hoort? 

Moest ik afkicken van de dagen werken met de mannen van staal, van het zware fysieke werk waar zelfs ik met mijn twee linkerhanden zoveel voldoening uit had gehaald? Moest ik afkicken van lunch in de kantine met de toch wat stugge noorderlingen die zwijgend grote stapels boterhammen naar binnen werken? Baalde ik zo enorm van de het niet meer hebben van matige kwaliteit koffie uit de automaat en flauwe krentenbollen van de supermarkt? Het gemis van de hond die natuurlijk bij zo’n werf hoort, altijd in voor een aai. Het niet meer zien van de bijzondere man, die op een hoekje van de werf met zijn poes op een oude stalen boot woont, ogenschijnlijk afgezonderd van de wereld maar oh zo vriendelijk en behulpzaam? Ging ik de twee vers gevestigde randstedelingen missen die zo handig zijn met hout en die zelf zeggen dat hun werk eigenlijk altijd pauze is omdat ze het zo leuk vinden? De lange benen gehuld in skinny jeans van de eigenaar van de werf die altijd op een onverwachts moment ergens opdoken? De zachtmoedige man van staal die op zijn 66e nog op z’n kop hangt in de boot en toch iedere dag even kwam kijken of de boel nog in orde is? 

Wanneer ik mijn gevoelens deel met een vriendin vertelt ze me over haar werk in het theater. Dat als het doek definitief valt na een lange periode van voorbereidingen en voorstellingen en ieder weer zijn/ haar weg gaat, dat ze ook vaak in een gat stort. Het samenzijn, intensief tijd met elkaar doorbrengen en naar iets toe werken is ineens weg. Dat ik er drie dagen last van had, viel haar reuze mee!

Ik heb me tijdelijk in een omgeving gestort die ver van de mijne is. En misschien wel omdat het tijdelijk is, werkte het zo goed. Wetende dat ik weer wegga en dus niet echt van daar ben. Even in een andere wereld, daar volledig induiken, een tijdelijk onderdeel van het geheel, om vervolgens er weer net zo makkelijk uit te verdwijnen. Samen werken naar een doel, daar even van kunnen genieten. En dan..

Gedeelde smart is halve smart en snel ben ik weer enigszins gekalibreerd.

Misschien geldt hetzelfde wel voor sporters, die thuiskomen na een groot evenement waar ze lang naartoe hebben gewerkt? 

De ‘post-race blues*’, blijkt een bekend fenomeen. Een dip  in mentaal (en fysiek) welzijn na een prestatie ervaring, ook al is deze ervaring zelf positief. Het is de leegte die ontstaat na de prestatie, gecombineerd met al dan niet een gevoel van eenzaamheid en de onbeantwoorde vraag: ‘wat nu dan?’

Inmiddels zit de hippe jumpsuit weer als gegoten, ben ik weer in mijn ‘normale’ ritme. Mijn werkpak ligt gewassen en gestreken (!) in de kast, klaar voor een volgend avontuur!

* Er is een heleboel onderzoek gedaan naar post-race blues, er is veel (online) over te lezen.


Reacties: 0

Inge Nieuwenhuis

Inge Nieuwenhuis

Nieuwste schrijfsels


Stuur Inge een bericht!